Het is de periode van 1929 tot 1940 waar de meerderheid van de jazzstandards ontstond. Tijdens dit decennium waren er veel uitstekende liedjesschrijvers die materiaal leverden voor Broadway-shows en filmmusicals, zoals George Gershwin, Cole Porter, Richard Rodgers, Lorenz Hart, Irving Berlin, Hoagy Carmichael en Walter Donaldson. Vanaf het begin tot de jaren 1950 was jazz voornamelijk bedoeld om op te dansen, waardoor musici zich gedwongen voelden om een groot deel van hun repertoire uit populaire nummers te halen. De nummers werden hierdoor dus nog populairder.
Over het algemeen is een belangrijke factor voor een lied om een standard te worden, een belangrijke jazzopname. Bijvoorbeeld, Louis Armstrong's versie van "Stardust" uit 1931 was een belanrijke opname, waardoor het populair werd onder jazzmuzikanten. Andere niet-jazzopnames, zoals die van Bing Crosby, hielpen echter bij het verzekeren van de populariteit ervan onder het grote publiek.
Aan de hand van de geleerde theorie ga je in bandvorm een Jazzstandard instuderen en uitvoeren. In deze jazzstandards verwerk je improvisaties en solo’s, zoals in de meeste jazznummers het geval is. Je mag het nummer gebruiken dat je geanalyseerd hebt, maar je mag ook zeker een andere kiezen. Kies een standard uit het realbook hiernaast.
Zoals je weet bestaat een standard uit melodie en akkoorden. Luister naar opnamens om een vorm, ritme, stijl enz te bedenken. Wanneer het raamwerk staat ga je met je groepje bezig met improviseren. Welke noten kan je gebruiken? Welke ritmes passen goed? Houd het simpel, en experimenteer er op los! De improvisatie is jouw improvisatie, er is dus geen goed of fout.